Als kinderen zelfstandig kunnen werken, dan leren ze
• zelf naar oplossingen zoeken
• een taak te overzien, te plannen en te bespreken
• niet steeds bij de leerkracht komen
• elkaar helpen en elkaars hulp accepteren
• in eigen tempo hun werk doen
• voldoening in zelf gevonden oplossingen krijgen
De leerkracht kan dan
• rustig observeren
• aandacht geven aan de kinderen die dat nodig hebben
• kinderen stimuleren hun eigen problemen op te lossen
Hoe herkennen we zelfstandig werken?
We herkennen zelfstandig werken aan de weergave dagindeling
Tot en met groep 6 wordt er gebruik gemaakt van dagritmekaarten. Groep 7 en 8 gebruikt het bord.
Er is een teken voor zelfstandig werken
Elke klas heeft een centraal teken met rood en groen (en oranje voor de middenbouw) om het zelfstandig werken visueel te maken voor de kinderen. De kleuters hebben een knuffel.
De regels
De basisregels zijn een onderdeel van de klassenregels. Het gedrag van de leerlingen bij de kleuren groen, oranje en rood is helder verwoord.
Vanaf de kleuters tot en met groep 4 wordt er gebruik gemaakt van de kleurenklok. De oudere kinderen gebruiken de analoge klok.
Wat als de kinderen klaar zijn?
In elke klas zijn er materialen waarmee kinderen aan de slag kunnen als ze klaar zijn met het werk.
Wat is de doorgaande lijn van het zelfstandig werken op de Speelleerhorst?
Onderbouw (groep 1/2): Het zelfstandig werken duurt ongeveer 15 minuten. De kleurenklok staat op het oranje gedeelte.
Middenbouw (groep 3,4,5): Er zijn twee vraagrondes en de tijd wordt wat langer ( tot 45 minuten)
Bovenbouw (groep 6,7,8): Groep 6 krijgt dagdeeltaken
Groep 7 krijgt dagtaken of dagdeeltaken
Groep 8 krijgt dagtaken of dagdeeltaken
Hoe laat een kind zien dat hij/zij een vraag heeft?
In de onderbouw maakt het kind gebruik van een kokertje met groen en rood. De juf zet een knuffel op haar stoel.
In de middenbouw gebruikt het kind een kokertje met groen en rood. De juf maakt gebruik van een stoplicht.
Het stoplicht staat op …………….
Groen:
De leerlingen gebruiken hun kokertje als ze wat willen vragen aan de leerkracht. Als het een korte vraag is, mogen ze de vraag ook met een liniaalstem aan het team vragen.
De leerkracht loopt rond en beantwoordt vragen van de kinderen waarbij het kokertje op rood staat.
Oranje:
De leerlingen mogen met een liniaalstem vragen stellen aan hun team, maar niet aan de leerkracht.
De leerkracht observeert, geeft (individuele) hulp aan leerlingen of geeft nog klassikaal les aan de kinderen die daar nog behoefte aan hebben(= afschilmodel).
Rood:
De leerlingen zijn stil aan het werk. Ze mogen helemaal niet praten met elkaar en ook niets aan de leerkracht vragen. Als ze iets niet weten, slaan ze het over.
De leerkracht observeert en geeft (individuele) hulp aan leerlingen.
In de bovenbouw maken de kinderen gebruik van het kokertje met groen en rood. De juf of meester gebruikt het stoplicht met rood en groen.
Groen:
De leerlingen gebruiken hun kokertje als ze wat willen vragen aan de leerkracht. Als het een korte vraag is, mogen ze de vraag ook met een liniaalstem aan het team vragen.
De leerkracht loopt rond en beantwoordt vragen van de kinderen waarbij het kokertje op rood staat.
Rood:
De leerlingen zijn aan het werk, mogen vragen (met een liniaalstem) aan hun team stellen of slaan de opdracht even over totdat de volgende vraagronde is.
De leerkracht geeft individuele hulp naar aanleiding van de handelingsplannen, observeert of voert andere werkzaamheden uit waarbij ze niet gestoord wil worden.
Waar werken de kinderen aan/mee tijdens het zelfstandig werken?
In de onderbouw wordt de werkles gestuurd door het planbord met ontwikkelingsmateriaal en spelen in de hoeken.
In de middenbouw is er een planbord voor groep 3 en 4, de kinderen werken n.a.v. een instructie op het bord. In de middag is er een circuit. De groepen hebben een kieskast.
In de bovenbouw zijn de taken die afgedrukt staan op een stencil of geschreven op het bord.